Welkom op mijn website! Ik ben Debby Aerts, sinds 2010 werk ik met kinderen. Eerst als kinderverzorgster en sinds 2012 als leerkracht in het basisonderwijs. Eerst als kleuterjuf maar sinds enkele jaren ben ik leerkracht lager onderwijs. In 2012 richtte ik deze website op om al mijn ideeën met collega’s te kunnen delen.
Muzogramtechniek
klusjes voor kinderen
Het is vaak een stuk makkelijker gezegd dan gedaan om jonge kinderen te laten helpen in het huishouden: het kan een flinke klus zijn, om kinderen klusjes te laten doen. Maar er zijn goede redenen waarom je kinderen betrokken zouden moeten zijn in het huishouden. Hieronder bespreken we de inzichten van een aantal experts.
Waarom zouden kinderen klusjes moeten doen?
“Het is echt heel belangrijk: uit onderzoek blijkt dat kinderen die klusjes doen, essentiële levensvaardigheden opdoen. Het punt is dat ze leren hoe ze iets kunnen bijdragen aan hun gezin, hoe ze zelfvoorzienend worden in het dagelijkse leven voor als ze volwassenen zijn,” vertelt auteur en expert in de kinderzorg, Caroline Maguire. “Ik geloof in het soort burgerschap: je bent een lid van dit gezin en we helpen elkaar. Ik vraag je niet iets te doen dat ik zelf niet zou doen. Als mensen opgroeien en deel gaan uitmaken van een relatie – partner of huisgenoot – dan moet je rekening houden met anderen. Het is niet altijd genoeg om voor jezelf te zorgen. Dat is wat je leert van klusjes doen.”
Wanneer kunnen kinderen beginnen met klusjes?
Het hangt natuurlijk allemaal af van het kind en het gezin, maar Maguire adviseert dat je kinderen zo op hun derde of vierde voorstelt om ze te laten helpen, dus nog niet zozeer het idee van klusjes doen. “Begin door ze het idee te geven dat ze helpen: we gaan samen de was doen, wil jij op het knopje drukken? Wil je met me meelopen terwijl ik de vuilnis buiten zet?” zegt ze. “Het punt is om het idee van samenwerking op te bouwen.”

De volgende stap is om ze klusjes te laten doen die ze voor zichzelf doen: “Goede eerste klusjes hebben te maken met zelfzorg. Bijvoorbeeld, maak je bed op en doe je kleding in de wasmand,” vertelt Maguire. “Zo wordt iemand zelfvoorzienend.” Zodra ze dit onder de knie hebben, zijn ze klaar om dingen rond het huis te doen of die voor het hele gezin nuttig zijn.
“Werk samen met ze,” zegt Maguire. “Maak een lijstje van wat gedaan moet worden in het huis, vraag ze wat ze zelf leuk lijkt om te doen en begin daar mee. En als je meerdere kinderen hebt, laat dan ook zeker de kinderen samenwerken.”
Niet onbelangrijk: je kids aansporen deel uit te maken van je gezin en gemeenschap kan ze op de lange termijn ook gelukkiger maken. “We denken vaak dat je gelukkig wordt door je eigen leven te verrijken,” legt psycholoog Richard Ryan uit. “Maar het tegenovergestelde blijkt waar: je krijgt veel meer door te geven.”
Wat voor klusjes kunnen kinderen doen?
Hieronder vind je een aantal voorbeelden van wat je je kinderen kunt laten doen. “Je kunt bijna overal wel een spel van maken: maak het een race, dans terwijl je het doet,” vertelt Maguire. “Zo leer je ze plaats te maken voor de dagelijkse taken.”
- De was verzamelen en doen
- De tafel dekken
- Na het eten de afwas doen
- Huisdieren voeren
- De tafel afruimen
- Een kamer afstoffen
- De post halen
- In de badkamer de spiegel, het plankje en de wastafel schoonmaken
- De vaatwasser in- en uitruimen
- Dagelijks het bed opmaken
- De was vouwen
- De planten water geven
- Speelgoed rond het huis opruimen
- Afval sorteren voor recycling
- Het afval buiten zetten
- Stofzuigen en dweilen
- Bladeren ruimen
- Tuinieren en onkruid weghalen
- Lunch klaarmaken voor jongere broers of zussen

Welke klusjes kunnen ze beter niet doen?
“Alles waarbij ze gewond kunnen raken of wat gevaarlijk lijkt, is natuurlijk te veel gevraagd,” zegt Maguire. “Vraag kinderen niet om iets te doen waar ze nog niet klaar voor zijn.” Dat verschilt dus nogal voor ieder gezin, maar als algemene regel: aarzel je ergens over, neem dat dan als teken dat je kind het beter nog niet kan doen.
De les
Door klusjes leren kinderen om niet gratis mee te liften in het leven, maar om actieve deelnemers te worden. Stimuleer ze door ze erbij te betrekken, ze deel uit te maken van het gezin en ze voor zichzelf te laten zorgen.
proef je gevoel
Leuke dingen meemaken, positieve gevoelens ervaren, genieten … : het doet ons allemaal heel erg deugd.
Stel je nu eens voor dat je dat fijne moment en dat heerlijke gevoel éxtra hard voelt en beleeft?! En dan nog eens zonder dat je er vreemde middelen voor nodig hebt, maar enkel je bewustzijn.
Proef het gevoel
Door goede gevoelens te koesteren, zet je de ervaring en bijbehorende positieve gevoelens extra in de verf. Hierdoor worden ze waardevoller, grootser en echter, waardoor ze beschermen tegen negatieve gevolgen van bijvoorbeeld stress.
Jij en je leerlingen kunnen dat (leren) doen door een beleving bewust op te merken, die als het ware te proeven of er een mentaal snapshot van te nemen. Zo leggen jullie het écht vast op de gevoelige plaat (doordenkertje).
Koesteren betekent dus: bewust stilstaan bij het moment en de beleving, het vastgrijpen in plaats van het door je vingers laten glippen.
Hoe kan je dat nu leren?
1. Het start met vertragen
Racepiloten rijden zo snel dat ze de omgeving nauwelijks opmerken. Er is simpelweg geen tijd voor. Wandelaars daarentegen hebben die tijd wel. Ze kunnen zelfs even stilstaan en de zaken rustig bekijken. Koesteren staat dus gelijk aan vertragen: druk op de rem, stap uit de racewagen en sta stil.
Een oefening in vertraging
- Maak ruimte in het klaslokaal of zoek de speelplaats op.
- Laat je leerlingen zich verspreiden en zorg dat iedereen voldoende plek heeft.
- Vraag hen om zo snel als ze kunnen rond hun as te draaien: 5 seconden in de ene en 5 seconden in de andere richting.
- Stel hen (eens ze terug stabiel op hun benen kunnen staan) de vraag wat ze tijdens het draaien gezien hebben.
- Laat ze nu véél trager rondjes draaien. Wat zien ze nu?
Een alternatieve oefening kan bijvoorbeeld zijn: een sprintje trekken vs. rustig wandelen.
2. Geef aandacht
Koesteren vraagt om bewuste aandacht in plaats van leven op de automatische piloot. Leer dus om écht aandacht te hebben voor de beleving en het gevoel.
Een aandachtige oefening
- Deel iedereen een handvol (ongezouten) nootjes, rozijnen, druiven … uit. Geef hen mee dat ze deze nog niet mogen opeten, maar dat het een ‘beloning’ is voor tijdens de volgende opdracht:
- Ze moeten én naar het weerbericht luisteren én ondertussen (eenvoudige) wiskundige opdrachten maken.
- Stel hen daarna vragen over het weer van de komende dagen en ga eens na hoeveel oefeningen ze gemaakt hebben (en juist hebben). De kans dat dat tegenvalt, is groot. En trouwens: hoe proefden de nootjes, rozijnen, druiven … ?
Zonder bewuste aandacht vangen we maar de helft van het verhaal op, proeven nootjes naar nootjes (en meer niet) en beleven we niet écht.
3. Gebruik je zintuigen
Zintuigen vormen de link met de buitenwereld, zorgen dat de zaken kunnen binnenkomen. Door ze actief te gebruiken, maak je koesteren mogelijk.
Een oefening in zien, voelen, proeven, ruiken …
- Geef iedereen nog een laatste snackje.
- Voordat ze het snel snel verorberen, zet je ieders zintuigen aan het werk:
- Hoe ziet het eruit? Welke kleur heeft het? Welke vorm?
- Hoe voelt het tussen je vingers? Hoe ruikt het?
- Stop het in jullie mond: hoe voelt dat? Welke structuur heeft het? Verandert deze? Proef je al iets? Wat dan?
- Begin te kauwen (zonder door te slikken): hoe voelt dit? Hoe proeft dit? Waar proef je dit?
- Verandert de smaak na doorslikken? Blijft er wat van smaak hangen?
- Merkten jullie verschil met de vorige oefening?
Door bewust je zintuigen te gebruiken, krijg je veel meer informatie binnen en beleef je de zaken sterker. Of dat nu over een druif, een nootje of een fijne ervaring gaat.
4. Blijf hangen in de ervaring
Ervaringen en de fijne gevoelens die daarmee gepaard kunnen gaan, zijn soms snel voorbij. Een mooie zonsondergang? Wanneer de zon onder is, is het gedaan. Fijn aan het schommelen? Je springt eraf - en ook dit momentje is gedaan. Door de technieken uit de bovenstaande puntjes toe te passen, zorg je ervoor dat je het moment zélf al met volle aandacht en zintuigen beleeft. Door er nu nog in te blijven hangen, zorg je ervoor dat het gevoel duurzamer en dus minder vluchtig wordt.
Een oefening in verduurzaming
Een leuk moment in de klas? Net terug van een fijne uitstap? Een opdracht achter de rug waarbij je leerlingen in de flow zaten? Een fijne speeltijd …? Geef je leerlingen de kans om het gevoel dat hiermee gepaard ging vast te houden:
- Vraag hen om de ogen te sluiten en om het fijne moment (of een fijn moment) voor de geest te halen.
- Stimuleer hen om dit zo helder, concreet en levendig mogelijk te doen (denk aan de zintuigen).
- Laat hen nadenken over verschillende vragen: wat gebeurde er? Wat deed je? Hoe voelde dat? Wat dacht je? … ?
- Laat hen terugkeren naar dat moment en naar dat gevoel.
- Nodig ze uit om dat even vast te houden.
5. Reflecteer
Door over een fijne gebeurtenis na te denken, erover te vertellen, het te delen … maak je ‘t meer echt. Geef je leerlingen de kans om dit te doen door:
- De opdracht te geven een tekening te maken van (bijvoorbeeld) de uitstap.
- De opdracht te geven een opstel of gedicht te schrijven over de uitstap.
- Beter nog: de leerlingen zelf een medium te laten kiezen dat aansluit bij hun talenten.
- Hen te vragen een foto mee te brengen van een mooi moment en erover te vertellen op een manier waardoor ze weer een beetje ín dat moment zijn.
Hooggevoelig kind! Zo ga je er mee om.
Zo ga je om met een hooggevoelig kind
We doen vaak alsof hoogsensitiviteit een uitzondering is, maar in werkelijkheid komt het heel veel voor. Naar schatting is zo’n 30 procent van de mensen hoogsensitief. Als je kinderen hebt, is de kans dus best groot dat je er eentje of meerdere hebt die hooggevoelig zijn.
Hoogsensitieve kinderen (HSK) zijn zeer gevoelig voor hun omgeving. Alles komt bij ze binnen. De Amerikaanse psycholoog en auteur Elaine N. Aron introduceerde de term ‘hooggevoelig persoon’ (HSP) in 1996. Zij schreef meerdere boeken over hoogsensitiviteit en somt in ‘Het hoog sensitieve kind’ verschillende kenmerken van hooggevoelige kinderen op, zoals een scherp gevoel voor humor, perfectionisme, diepzinnigheid, oog voor detail, een afkeer van grote veranderingen en veel vragen stellen.
- Uitdaging
Omgaan met hoogsensitieve kinderen is niet altijd makkelijk. Omdat een hooggevoelig kind zoveel en zo intens voelt, reageert hij of zij doorgaans emotioneler en raken ze ook sneller overprikkeld. Als ouder kan dat best een uitdaging zijn, vooral als je zelf van nature minder gevoelig bent en je niet altijd in de belevingswereld van je kind kunt verplaatsen.
2. Accepteer je kind zoals het is
Hier begint het eigenlijk allemaal mee: accepteer dat je kind gevoeliger is dan de meeste van zijn of haar leeftijdsgenootjes en broertjes of zusjes. Hoe krampachtig je ook probeert om je kind te veranderen, dat gaat je niet lukken. Het levert alleen maar frustratie en verdriet op. Voor jou én je kind.
3.Beschouw hooggevoeligheid als een gift
Als je spruit in ontroostbaar huilen uitbarst om iets wat jij een kleinigheid vindt, zich terugtrekt in zichzelf of weigert die kriebelige trui nog aan te trekken, is het logisch dat je soms even niet meer weet wat te doen en sensitiviteit als een last beschouwt. Maar toch: probeer om sensitiviteit als een gave te zien. Die gevoeligheid zorgt er namelijk ook voor dat veel hoogsensitieve kinderen uitzonderlijk creatief zijn, vol originele ideeën zitten en op een bijzondere manier naar de wereld om hun heen kijken.
4.Zorg voor een plek om tot rust te komen
Als je op school de hele dag gebombardeerd bent door invloeden waar je geen controle over hebt, is een plekje waar je je veilig voelt, kunt bijkomen en opladen geen overbodige luxe. Zorg dat er thuis een ruimte is waar je kind op zijn of haar manier tot rust kan komen. Is je kind al wat ouder, dan kun je zo’n plek het beste samen inrichten. Waar je kind behoefte aan heeft, is heel persoonlijk. De een ontspant met boeken en een noise cancelling koptelefoon, de ander trekt zich liever terug met een stel knuffels of een kleurboek.
5.Werk samen
Discipline, structuur en duidelijke regels zijn belangrijk. Maar in plaats van je wil op te leggen, kun je bij een hoogsensitief kind beter een soort partnerschap aangaan. Als bepaalde situaties en omstandigheden (te) heftig zijn voor je kind, ontdek dan samen manieren om ze te vermijden of er op een constructieve manier mee om te gaan. Veel kinderen hebben bijvoorbeeld baat bij mindfulness of ademhalingsoefeningen.
Help je kind zich fijn en kalm te voelen
Hooggevoelige kinderen zijn snel overprikkeld, bang of kunnen meer stress dan leeftijdsgenootjes hebben.
Filosoferen met kleuters
Hoe kun je filosoferen met kleuters?
tip 1: gebruik plaatjes
Het eerste voorbeeld is een gesprek over de vraag wat er allemaal binnenstebuiten kan. Hier dachten tien kinderen uit 1 en 2 de kk met behulp van Praatplaatjes over na. Dit is een werkvorm waarbij de leerkracht steeds een plaatje laat zien waarover nagedacht kan worden. Op het eerste plaatje dat de gespreksleider liet zien, staat een kindje dat niet helemaal goed is aangekleed. Hierbij werd deze vraag gesteld: ‘Kunnen kleren binnenstebuiten?’.
Gespreksfragment

‘Kleren kunnen gewoon binnenstebuiten.’
‘Het is helemaal niet erg als je kleren binnenstebuiten zitten, want je hebt dan nog steeds kleren aan.’
‘Ja, je hoeft niet bloot naar school, dus…’
‘En ik weet ook waarom dat niet erg is want je kan er gewoon je hand doorsteken en dan is het weer goed.’
Leerkracht: ‘En wat is dan belangrijker? De binnen- of de buitenkant?’
‘Zonder buitenkant krijg je het koud.’
‘Als je de binnenkant wil zien moet je er vaak eerst een stuk vanaf snijden.’
‘De binnenkant is belangrijk daar zit al je bloed en energie.’
‘Van slaap krijg je toch energie.’
‘Nee, van eten en drinken.’
‘Een hond kan niet binnenstebuiten.’
‘Jawel, als je hem uit elkaar haalt.’
‘Dat kan niet met een hond, hoor, dan gaat ie dood.’
‘De binnenkant is belangrijker omdat daar zijn botten zitten omdat hij anders in elkaar zakt.’
‘Ja, maar de buitenkant is mooi want van binnen zie je alleen skeletten.’
‘Een tas kan binnenstebuiten.’
‘Dan is ie niet meer zo mooi.’
‘De buitenkant is meestal mooier.’
Het gesprek verloopt weliswaar heel associatief maar als je goed leest, is er wel vooruitgang in het denkproces.
tip 2: socratische denkhouding
De rol van de leerkracht hierbij is vooral faciliterend. Hij moet een open, vrije denksfeer creëren. Dit doet hij door al zijn kennis even helemaal los te laten en vanuit verwondering het gesprek te leiden. Dit wordt de Socratische houding genoemd. Vanuit deze houding stel je vragen aan de kinderen. Ongewone vragen werken vaak heel goed. Tenminste, ze zijn ongewoon voor een volwassene. Een kleuter gaat gewoon nadenken. Bijvoorbeeld over de vraag: ‘Kan een kist binnenstebuiten?’
‘Dan moet je hem gewoon uit elkaar halen want het zijn allemaal losse deeltjes aan elkaar gemaakt.’
‘Dat kan anders ook heus wel met een zaag.’
‘Maar niet met een school want die kun je niet losmaken.’
‘De binnenkant van de school is belangrijker want daar kun je alles leren.’
‘De buitenkant is belangrijker, want het speelplein is het belangrijkste.’
‘Nee hoor, de binnenkant want anders moet je de hele dag buiten werken en als het regent dan word je nat.’
Het kan bij zo’n gesprek dus behoorlijk van de hak op de tak gaan maar toch staan tussen al deze associaties zinnige redenaties en worden ook andere filosofische vaardigheden zichtbaar.
tip 3: het abstracte denken zien
Een andere reden waarom sommige mensen filosoferen als niet geschikt voor kinderen afdoen is het idee dat jonge kinderen niet abstract kunnen denken. Dit idee is vaak gebaseerd op invloedrijke ontwikkelingsmodellen zoals die van Piaget. Hij stelde dat kinderen pas vanaf 11 jaar, als de formeel operationele fase aanbreekt, abstracte concepten kunnen begrijpen en logica kunnen gebruiken.
Voorbeeld gespreksfragment
Ook het onderstaande gespreksfragment van slechts zeven regels laat zien dat jonge kinderen abstract kunnen denken.
‘De aarde heeft een heel lelijke binnenkant. Dat is allemaal vuur.’
‘Een trap heeft geen binnenkant.’
‘Melk ook niet.’
‘En papier.’
‘Slingers!’
‘Alles heeft wel een buitenkant.’
‘Dus dan is die belangrijker.’
De binnenkant van een kledingstuk is voor een jong kind goed voor te stellen. Dat is heel concreet. Kleren zitten vaak binnenstebuiten. Maar vervolgens bedenken wat er geen binnenkant heeft vraagt abstracte denkkracht. Het kind moet dan eerst de genoemde voorwerpen zoals de slingers, papier en melk in zijn hoofd voor zich zien en ‘ontleden’ om tot de conclusie te komen dat het geen binnenkant heeft.
Bij abstract denken gaat het om voorstellingen die je van bepaalde zaken kunt maken. Zaken die je niet kan zien, voelen of met andere zintuigen waar kan nemen. Je hebt er dus naast cognitieve denkvaardigheden ook verbeeldingskracht voor nodig. Kleuters hebben veel fantasie, hun verbeeldingskracht is sterk.
tip 4: fantasie en logica
In het denken van kleuters speelt fantasie inderdaad een grote rol. Maar dit helpt dus om verschillende mogelijkheden en antwoorden te kunnen verzinnen bij een filosofische vraag.
Bovendien kun je ook binnen een fantasie logisch nadenken. Iets hoeft niet in de werkelijkheid te bestaan om logische redenaties te maken. De volgende redenering klopt bijvoorbeeld qua logica, al is de inhoud onzin: Alleen honden kunnen vliegen – Hector vliegt – dus Hector is een hond. Daar is geen speld tussen te krijgen. Kinderen zijn heel goed in dit soort redenaties omdat ze zich als het ware vrij en thuis voelen binnen een fantasie. Ze vinden dit daardoor ook heel leuk.
Fantasievragen
Een gesprek beginnen met een ‘fantasievraag’ is daarom een goede voorbereiding op het serieuzere filosoferen over de werkelijkheid. Fantasievragen kun je samenstellen door willekeurig hulpwerkwoorden, zelfstandig naamwoorden en werkwoorden te combineren. (Uit: Socrates op de speelplaats en Filosoferen doe je zo) Dit kan bijvoorbeeld met het draaikastje de Denkdraaier en het bordspel Denkdobbelen. (Meer informatie op de gelijknamige websites.)
Zie bijvoorbeeld deze twee redenaties bij een ‘fantasievraag’:
Kunnen aardappels binnen spelletjes spelen?
‘Nee, want ze hebben geen handen en voeten.’
Q Heb je voor alle spelletjes handen en voeten nodig? Bijvoorbeeld voor ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet?’
‘Nee, maar daar heb je wel ogen voor nodig.’
Q Zijn er spelletjes waar je niks voor nodig hebt?
‘Jawel! Voor wie kan het langste stil liggen!’
‘Ja, dat is inderdaad een spelletje dat aardappels kunnen spelen!’
Kunnen scholen springen?
‘Ja, want als je een playmobilschool op een trampoline laat vallen dan springt hij omhoog.’
‘Een school vissen kan ook springen.’
Q En de school waarin wij nu zitten?
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Misschien als er een aardbeving komt?’
Fantasievragen zijn dus een goede oefening in redeneren. Juist omdat je aan kennis niets meer hebt, moet je gaan nadenken. Dit doe je samen in een dialoog. Door wat je al weet te combineren met de bijdrage van anderen kom je op nieuwe gedachtes. Filosoferen is bouwen op elkaars ideeën en dat is wat de kinderen doen. Door elkaar komen ze steeds weer op wat nieuws. Dit lukt beter naarmate de kinderen de spelregels van een filosofisch gesprek beter door hebben. Dan weten ze wat er gaat gebeuren en kunnen ze zich concentreren op de inhoud. Gebruik daarom altijd dezelfde spelregels in je gesprekken.
tip 5: Spelregels voor het gesprek
- Inleiding: de kinderen worden geïnspireerd en gemotiveerd om over een bepaald onderwerp na te denken. Dit kan bijvoorbeeld met een verhaal of een spelletje.
- De gespreksleider blikt terug op de inspiratiebron en introduceert de hoofdvraag of het onderwerp waar deze les over wordt nagedacht.
- Vrije denkruimte. De kinderen denken vrij na over de vraag. Hier mag gespeculeerd en gefantaseerd worden. De hoofdvraag wordt denkbeeldig in het midden van de kring gelegd en van alle kanten bekeken. Verschillende meningen en ervaringen mogen worden gedeeld.
- Kritisch terugkijken. De groep denkt kritisch na of alles wel klopte wat er werd gezegd. Er wordt gezocht naar overeenkomsten en verschillen en of er mogelijk conclusies zijn te trekken. Af en toe wordt er samengevat.
Fase 4 en 5 mogen elkaar afwisselen, dit soort loopjes vinden soms meerdere keren achter elkaar plaats.
- Samen met de klas kijkt de gespreksleider terug.
- De afronding van het gesprek vindt plaats door een reflectiemoment. Denk je er nu anders over dan eerst? Heb je iets nieuws geleerd?
- Optioneel: verwerkingsopdracht
Ter verduidelijking bekijken we de spelregels aan de hand van een voorbeeldgesprek over de vraag of we licht en/of donker echt nodig hebben.
Inleiding
De gordijnen zijn dicht en het is donker in de klas met kleuters. Ze luisteren naar het verhaal ‘Gekke maan’ over Anna en de zon en de maan uit de filosofische denkbundel ‘Kan niet bestaat niet’. Er is alleen een beetje licht van een zaklamp die de letters in het boek leesbaar maakt. De kinderen gniffelen om Anna die midden in de nacht opstaat omdat de zon schijnt. Haar moeder heeft haar namelijk geleerd dat de maan zelf geen licht geeft. Het is de zon die op de maan schijnt. En als de zon schijnt mag Anna opstaan. Vandaar…
- Terugblikken op het verhaal
Na het voorlezen gaat de zaklamp uit en wordt er nagepraat over het verhaal. Waarom slapen we bijvoorbeeld ’s nachts en niet overdag?
‘Van donker kun je beter slapen.’
Zijn er nog meer dingen die in het donker juist heel goed gaan?
‘Slaapwandelen.’
‘Botsen en vallen.’
‘Niet goed werken.’
3 & 4 Vrije denkruimte en kritisch denken op natuurlijke wijze afgewisseld
Inderdaad, dat gaat stukken beter in het donker. Stel nou dat het altijd donker zou zijn, hoe zou dat zijn?
‘Dan moet je altijd slapen.’
‘Dan overleven we dat niet. Want dan eet en drink je niets meer omdat je altijd slaapt.’
‘Ik denk dat je wel wakker wordt, hoor, en dan opstaat.’
‘Dan moet je eerst wennen aan het donker.’
‘Misschien hoef je helemaal niet te wennen want in de buik is het donker. En dan kom je uit de buik op de wereld en daar is het dan ook donker.’
‘Dan vind je dat normaal, dan word je een soort uil.’
‘Dan moeten je pupillen groter worden.’
Zou er ook iets een probleem worden?
‘Er zou snel een stroomstoring komen omdat we heel veel stroom gebruiken als we wel licht willen hebben.’
‘Je kan nooit je zomerkleren aan doen.’
‘Dat is slim bedacht, want zonder zon wordt het inderdaad een stuk kouder op aarde. En als het nou altijd licht zou zijn?’
Samenvatten
Over deze vraag wordt ook een tijdje nagedacht. De gespreksleider vat aan het eind samen wat er zoal gezegd is. Bijvoorbeeld: ‘Jullie hebben bedacht dat het ook niet handig is als het altijd licht is omdat we dan heel moe worden omdat we niet goed kunnen slapen en ook dat we blind worden van al dat licht.’
Afronden
Tenslotte vraagt de gespreksleider of de kinderen deze les iets nieuws hebben geleerd. Een meisje antwoordt lachend: ‘Ja, dat je hersenen een beetje in slaap vallen in het donker.’
Optionele verwerkingsopdracht
De kinderen gaan een schaduwspel maken. Laat de kinderen dieren op karton tekenen. Knip deze uit en plak deze op een satéprikker. Nu kunnen de kinderen zelf een schaduwtheaterspel bedenken in kleine groepjes en vervolgens aan elkaar laten zien.
Maak hiervoor van een bananendoos een schaduwspeltheater door achter het gat in de bodem van de doos schetspapier te plakken. Zoek er een lamp bij, bijvoorbeeld een bureaulamp, om het papier vanaf de achterkant te kunnen beschijnen. Waarschijnlijk heb je ook een verlengsnoer nodig.
Geur en emoties
Wat geur kan betekenen bij bepaalde emoties.
Geuren in het algemeen
Kinderen worden geboren met een geweldige reukzin . De baby leert dat voedsel, welbehagen, warmte en geborgenheid te associëren zijn met de geur van zijn eigen moeder. Geur roept ook herinneringen emoties op. Dit kunnen goede herinneringen en emoties zijn maar ook negatieve.
Denk maar eens aan de geur van een mandarijn, het doet je vast denken aan sinterklaas. Je zal er vrolijk en blij van worden als het een fijne herinnering is. Maar was je bang van Sinterklaas dan zal die geur jou een onaangename herinnering boven brengen en zal je dus weer het gevoel van angst krijgen.
Iedereen weet dat geuren een bepaald effect hebben op het gedrag en soms ook het lichaam van mensen. Je merkt zelf snel genoeg welke voorkeur jij of je kind heeft voor welke geur. Weet je als je een bepaalde geur niet lekker vindt ruiken dat het juist die geur is die je lichaam nodig heeft. Dat daar een blokkade zit, die geur negatieve emoties bij je opwekken. Je wil toch die negatieve dingen verwerken?
Juist daarom is het voor kinderen en jezelf heerlijk om aromatherapie te gebruiken. Weg met die negatieve dingen uit je leven! Laat je kind zich als herboren voelen, laat zijn/haar emoties los, je kind gelukkig en blij is ook mama en papa gelukkig.
Maar wat is nu de geur die je best gebruikt als je graag wil dat de kinderen ontspannen, goed kunnen slapen, positief in het leven staan? Dat kan je hieronder zien , er bestaan natuurlijk 1001 geuren , ik neem de bekendste er uit :
Basilicum: De olie ontspant de zenuwen en heeft een kalmerende invloed op angst en stress. Hij geeft rust aan uitgeputte, zwakke en hysterische personen. Basilicum brengt vrede en verdrijft negatieve gedachten.
Lemon: Zet aan tot helder denken, brengt humor en verdrijft traagheid en besluiteloosheid.
Cederwood: Helpt tegen depressie, geestelijke zwakte en lusteloosheid. Bezorgt emotionele energie.
Eucalyptus: Werkt goed tegen concentratie problemen, brengt evenwicht bij extreme geestelijke uitputting.
Geranium: Werkt kalmerend en verfrissend op de geest. Is succesvol voor het behandelen van depressies en angstaanvallen.
Lavendel: Helpt bij astma als de klachten een mentale of emotionele oorzaak hebben. Werkt goed tegen depressie, paniek , hysterie en waanvoorstellingen.
Lavendel heeft een genezende en zuiverende werking. De olie schenkt liefde en tederheid en beschermt tegen negativiteit. Lavendel stimuleert het denken en ontspant de zenuwen.
Lemongrass: werkt verhelderend, activeert de geest en zet aan tot nieuwe daden.
Chamille: Helpt bij overgevoeligheid, rusteloosheid, ongeduld, woede en irritatie. Verdrijft spanning en angst.
Orange: Bevordert de concentratie en het geheugen. Stimuleert helder denken en verdrijft gevoelens van minderwaardigheid en egoïsme. Is een uitstekend middel tegen mentale vermoeidheid en depressie.
Peppermint: Werkt goed tegen vermoeidheid, verhoogt de concentratie en werkt positief op het humeur. Heeft een zéér aangename geur!
Mandarijn: Maakt vrolijk en verdrijft neerslachtigheid, verdriet en angsten. Brengt de positieve dingen van het leven naar voor.
Tijm: Geeft moed en voorkomt nachtmerries. Helpt om te concentreren.
Ylang-Ylang: Geeft rust en verdrijft koppigheid. Werkt uitstekend bij depressie en kwaadheid. Brengt zelfvertrouwen terug.
Hoe kan je nu die oliën gebruiken?
Op een zakdoekje of knuffel van het kind
Hierbij moet je altijd opletten dat je de geur niet te “straf” maakt voor het kind .
Je kan de geur verstuiven
Dit kan ook nog op verschillende manieren bv. met een diffuser de meest gekende vorm van verstuiving.
Dit kan je in de klas zeker ook doen , maar op een hoge kast waar kinderen nooit bij kunnen.
Of sprayflesje van maken en spuiten op de kleding, knuffel of op het hoofdkussen.
Je kan een aanbod van geurflesjes maken
In de snoezelhoek kan je zelf een aanbod van geurflesjes voorzien .
Ik maakte die zelf ook al om te gebruiken voor een spel .
Op de foto hier onder zijn het doorzichtige flesjes met dingen in die van zichzelf geuren of een zakdoek met bepaalde geuren(essentiële olie) op .
Je kan ook in plaats van de dop , een fijn stofje spannen over de fles , dan ruik je de geur nog sterker .
Het spreekt voor zich dat de kinderen in de snoezelhoek niet verplicht zijn om het spel te spelen , ze kunnen ook gewoon genieten van de verschillende geuren .
Spel: Laat de kinderen ruiken aan de geur flesjes en raden welke geur het is. Wat ruiken ze? Waar denken ze aan als ze die geur ruiken? Hoe voelen ze zich als ze er aan ruiken? Welke herinneringen komen boven? Dit is een leuke activiteit om thema emoties, gevoelens te doen. Kinderen en jongeren praten niet graag over hun emoties en gevoelens en op deze manier kunnen ze op een speelse manier praten over wat hen dwarszit.
essentiële oliën webshop
Als je kind hoogsensitief is: 7 tips en oefeningen
Heb je een kind dat snel overprikkeld raakt, bang is aangelegd en soms zelfs al last heeft van stress? Met liefdevolle hand, de juiste begeleiding en deze 7 tips en oefeningen leven hooggevoelige kinderen nog lang en gelukkig.
1.Kleurenleer
De een wordt vrolijk van paars, de ander juist ongelukkig. HSK’s zijn gevoeliger voor kleur dan niet-HSK’s. Laat je kind zo jong mogelijk meebeslissen over het kleurgebruik in zijn kamer. Kan het nog niet praten, houd het dan gekleurde papiertjes voor en vraag de mooiste aan te wijzen. Ja, dat kunnen ze vaak al op jonge leeftijd.
2.Verdoving
Hooggevoelige mensen en kinderen zijn gevoeliger voor medicatie. Bij de tandarts hebben ze bijvoorbeeld vaak meer last van de verdoving dan van de behandeling. Dat komt door een hoge dosis adrenaline in de verdoving. Een speciale verdoving voor hartpatiënten, waar minder adrenaline in zit, is zo gevraagd en lost dat probleem op.
3.Wees gul met waardering
Hooggevoelige kinderen zullen niet gauw naast hun schoenen gaan lopen; velen van hen hebben eerder een negatief zelfbeeld. Het is daarom goed om actief een positief zelfbeeld bij je kind te stimuleren. Zeg het als je ziet dat het zijn best doet. Spreek je waardering uit voor kwaliteiten zoals oog hebben voor anderen en diep kunnen nadenken (zonder te overdrijven, want dat hebben ze door). Laat je kind weten dat je vertrouwen in hem hebt. Dat zal zijn eigenwaarde ten goede komen.
4.Kwartet met gevoel
Kinderyogadocent Helen Purperhart bedacht het Hoofd-hart-handen-kwartet, met daaraan toegevoegd het Denk-voel-doe-spel. Het kwartet gaat over aansprekende onderwerpen (vakantie, huisdieren) en alles wat je daarbij kunt voelen en tegenkomen (lange autoreis; hond uitlaten; alleen thuis). Elke Denk-doe-voel-kaart sluit aan bij een thema uit het kwartet en geeft opdrachten zoals ‘Stippel met je vinger op de rug van de ander je autoreis uit. Bedenk waar je het liefst naar toe zou gaan en vertel dat de ander.’
5.Balletje balletje
Help je kind zich op een speelse manier te ontspannen. Leg bijvoorbeeld een tennisbal op zijn buik om de buikademhaling te trainen. Je kind moet dan door middel van in- en uitademen de bal van zijn buik laten rollen.
6.Zo ga je om met angst
Omdat ze gevoeliger zijn voor prikkels, hebben hooggevoelige kinderen sneller dan gemiddeld last van angsten en stress. Wanneer je kind angstig is, geef dan aan dat die emotie er mag zijn. Dat is nu eenmaal hoe je kind het ervaart. Zeg niet: ‘Je hoeft niet bang te zijn, er is niks aan de hand,’ maar reageer rustig en begripvol. Daardoor voelt je kind zich gezien en kan hij zijn angst waarschijnlijk sneller loslaten.
7.Ik geef je een roosje
Edelstenen schijnen sommige kinderen te kunnen steunen in hun gevoeligheid. Zo wordt rozenkwarts in verband gebracht met (zelf)liefde en helpt amethist volgens kenners om te ontspannen.







